Met de verrassende winst van D66 bij de jongste verkiezingen in Nederland staat het sociaalliberalisme weer in de schijnwerpers. Maar wat is dat?
Het vertrekpunt is eenvoudig:
een mens kan pas vrij zijn als hij de kansen krijgt om vrij te kunnen zijn.
Het sociaalliberalisme is een stroming die vrijheid en solidariteit niet tegenover elkaar plaatst, maar als elkaars voorwaarde ziet. In tegenstelling tot het klassiek liberalisme, dat vooral de nadruk legt op economische vrijheid en individuele verantwoordelijkheid, vertrekt het sociaalliberalisme vanuit de overtuiging dat maatschappelijke structuren vrijheid kunnen belemmeren. Armoede, discriminatie, slechte toegang tot onderwijs of gezondheidszorg beperken mensen evenzeer als wetten dat kunnen doen.
Daarom stelt het sociaalliberalisme dat de overheid een rol heeft in het scheppen van voorwaarden tot vrijheid — niet door te betuttelen, maar door te bevrijden.
Het is de politiek van de “gelijke start”, niet van het “gelijke resultaat”.
Filosofisch is het een erfgenaam van liberale denkers als John Stuart Mill en T.H. Green, en in de Lage Landen onder anderen van mede-oprichter Hans van Mierlo en de recent overleden geestelijke vader Jan Terlouw.
Het is een geloof in de maakbaarheid van kansen, niet van mensen.
In onze tijd krijgt dat een nieuwe dimensie:
vrijheid betekent ook duurzaamheid (de vrijheid van volgende generaties),
digitalisering met ethiek,
en identiteit zonder uitsluiting.
Het sociaalliberalisme is daardoor meer dan een middenpositie — het is een morele houding die zoekt naar evenwicht tussen zelfontplooiing en zorgzaamheid.
