Met de jonge Rob Jetten kreeg de intussen bijna 60 jaar oude sociaalliberale partij D66 een fris, nieuw imago. Wie is hij en waar staat D66 voor?
D66 (Democraten 66) werd opgericht in 1966 midden in de maatschappelijke omwentelingen van de jaren zestig. De partij wilde een antwoord bieden op de toen verstarde zuilenstructuur en pleitte voor democratische vernieuwing, onderwijs als emancipatiemiddel en een open samenleving.
Doorheen haar geschiedenis is D66 steeds de progressieve vleugel van het liberalisme gebleven — wars van dogma’s, maar trouw aan idealen van individuele vrijheid en collectieve verantwoordelijkheid. Het motto “Laat iedereen vrij, maar niemand vallen” werd een moreel kompas, geen beleidsdetail.
Rob Jetten, geboren in 1987, belichaamt dat gedachtegoed in een nieuwe generatie. Als voormalig fractievoorzitter en klimaatminister profileerde hij zich als een politicus met een zeldzame combinatie van intellectuele helderheid en menselijke nabijheid. Zijn stijl is niet flamboyant, maar doelgericht: redelijke moed in plaats van luide zekerheid.
Toen hij het leiderschap van D66 overnam, was de partij op drift. Het verhaal was vaag en het bleek almaar moeilijker om de kiezer aan te trekken. Jetten koos niet voor ideologische verharding, maar voor vernieuwing van taal en toon:
een politiek van vertrouwen, tegen het cynisme van rechts én de vermoeidheid van het midden.
Zijn kernboodschap — dat liefde voor het land en openheid voor de wereld elkaar niet uitsluiten — heeft D66 een nieuw moreel profiel gegeven. Met de slogan “Het kan wél!” gaf hij D66 een nieuwe, solide basis: sociaalliberaal en positief patriottisch.
