De regering Diependaele I zit intussen anderhalf jaar in het zadel maar een echt memorabele rit is het tot nu toe niet geweest. Dat was overigens bij de vorige Vlaamse regeringen onder Jambon en Bourgeois evenmin het geval. Ondanks het feit dat Vlaanderen intussen bijna 12 jaar onafgebroken wordt geleid door de grootste Vlaams-nationale partij ooit, de N-VA, kunnen we niet anders dan vaststellen dat Vlaanderen niet begeestert.
Het cliché luidt dat de Vlaamse regeringen geleid worden door boekhouders die als goede huisvaders op de rekeningen letten en zorgen voor goed bestuur. Dat cliché bevat zoals altijd een grond van waarheid, ook al blijkt dat de schuldpositie van de Vlaamse regering intussen is opgeklommen tot meer dan 40 miljard euro en de komende jaren ook de kaap van 100% van de inkomsten zal overschrijden, met als hoofdoorzaak het grote, zeg maar megalomane, Oosterweelproject.
Ook met nieuwe initiatieven, zoals het onderzoek naar kleine kerncentrales, toont Vlaanderen aan dat ze goed is infrastructuur kan bouwen, maar (nog) niet of ze ook een samenleving kan bouwen, ingebed in een breed toekomstverhaal.
Dat is een probleem, want als Vlaanderen niet meer is dan Korneel van Oosterweel, hoe kan het dan ooit de geesten en de harten van de Vlamingen veroveren?
Intussen verschuift veel politieke aandacht naar het federale niveau, zeker sinds Bart De Wever federaal premier is geworden. Vlaamse kopstukken profileren zich nadrukkelijk binnen België en Europa, maar dat gebeurt zelden vanuit een uitgesproken Vlaamse visie. De federale excellenties van de N-VA, met de premier op kop, maar net zo goed Theo Francken op defensie en Jan Jambon op pensioenen, bezetten het terrein met zeer uitgesproken Belgische bevoegdheden en halfslachtige, kaduke Belgische antwoorden op Belgische problemen. Daardoor dreigt Vlaanderen zelf naar de achtergrond te verdwijnen, terwijl net daar de hefbomen liggen om het dagelijks leven van mensen te verbeteren.
Nochtans zijn de uitdagingen duidelijk. Op het vlak van mobiliteit, mentaal welzijn, democratische vernieuwing en onderwijs blijven grote ambities uit. Wachttijden in de zorg blijven oplopen, het mentaal welzijn staat onder druk, en kansen om burgers nauwer te betrekken bij het beleid worden nauwelijks benut. Het gevoel blijft hangen dat Vlaanderen vooral beheert wat er is, in plaats van doelgericht te bouwen aan wat mogelijk is.
Die vaststelling hoeft geen eindpunt te zijn. Vlaanderen beschikt over sterke fundamenten: welvaart, kennis, ondernemerschap en een goed uitgebouwde overheid. De uitdaging is om die troeven te vertalen naar een project dat vrijheid, vooruitgang én verbondenheid centraal stelt, en kansen creëert voor iedereen.
Daar horen zeker infrastructuurprojecten bij, zoals de uitbouw van slimme en duurzame mobiliteit, met innovatieve netwerken van openbaar vervoer en nieuwe technologieën zodat elke Vlaming zich vlot en betaalbaar kan verplaatsen.
Maar er is meer dan dat. Vlaanderen moet de ambitie hebben de eerste in de Europese klas te worden op vlak van mentaal welzijn. Investeren in toegankelijke zorg, preventie en begeleiding, zodat mensen niet alleen economisch maar ook persoonlijk kunnen groeien. Een samenleving is pas echt sterk wanneer haar burgers zich goed in hun vel voelen.
Ook democratie kan sterker. Er sijpelt veel van de zogenaamde ‘Belgische ziekte’ in de Vlaamse overheid, met buitensporige partijfinanciering, omvangrijke kabinetten, een kiesdrempel om nieuwkomers buiten te houden, parlementaire regels om onafhankelijken te ontmoedigen en monddood te maken, enz… particratie als basismodel. Geef burgers meer inspraak, maak plaats voor nieuwe initiatieven en omarm nieuwe vormen van participatie. Het zal het vertrouwen in de politiek alleen maar versterken. Transparantie en betrokkenheid zijn geen luxe, maar voorwaarden voor een moderne samenleving.
In de beginselverklaring van de N-VA luidde het nog: “Vlaanderen moet voortdurend waken over zijn zichtbare aanwezigheid in een steeds groter wordend Europa.” Daar is vandaag echter weinig of niets meer van terug te vinden. Nochtans kan en moet Vlaanderen op Europees niveau zelfbewuster optreden, met een duidelijke stem die zijn economische en maatschappelijke belangen verdedigt. Dat hoeft zelfs niet in tegenstelling tot België te zijn, maar complementair met eigen accenten.
En in en rond Brussel ligt een bijzondere kans. Laten we stoppen met jeremiëren over het Brusselse wanbeleid en zelf onze bevoegdheden maximaal uitoefenen. Laten we investeren in sterk Nederlandstalig onderwijs, waar duizenden Brusselse jongeren voor staan te drummen om zichzelf maximaal te ontplooien en later de brug te slaan tussen Brussel en Vlaanderen. Alleen daar al kan Vlaanderen tonen dat het niet alleen bestuurt, maar ook verbindt.
Kortom, een vooruitziend Vlaanderen moet meer doen dan besturen alleen en verder kijken dan cijfers en beton. Het bouwt aan een Vlaamse samenleving die ondernemend, maar vooral ook zorgzaam is. Die niet alleen welvaart creëert, maar ook zorgt dat niemand achterblijft. Die niet alleen efficiënt is, maar ook sociaal, rechtvaardig en menselijk.
De basis is zeker gelegd. Nu is het hoog tijd om er richting en bezieling aan te geven.
