In Nederland heeft D66 de verkiezingen gewonnen met iets wat in België al bijna als revolutionair zou klinken: een positief, toekomstgericht en complexloos verhaal. Een boodschap die niet vertrekt vanuit angst of afkeer, maar vanuit ambitie en vertrouwen.
Terwijl hier het politieke discours steeds meer lijkt te draaien rond wie het hardst kan voorspellen dat onze beschaving, het klimaat of toch minstens onze welvaart weldra ten onder gaat, heeft D66 een onverwachte troef uitgespeeld: optimisme.
In België zouden we dat bijna verdacht vinden. Want stel je voor dat je verkondigt dat het niet allemaal kommer en kwel hoeft te zijn? Dat er wel degelijk licht aan het einde van de tunnel is. Dat achter de wolken de zon schijnt. Hoongelach zou je deel zijn! Toch bewezen de Nederlanders dat het anders kan: dat mensen niet per se smullen van zwartgalligheid, en dat hoop soms electorale winst kan opleveren.
Het contrast met onze eigen politieke cocktail is groot. Hier schudden we vooral met ingrediënten als polariseren, doemdenken, rancune en vijanddenken geserveerd in een glas dat altijd halfleeg is. Elke partij beweert wel dat ze de “wil van het volk” volgt, maar komt niet verder dan het oppoken van tegenstellingen en cultiveren van angst.
Misschien is het tijd om die cocktail eens opnieuw te shaken. Niet met het oude recept van links tegen rechts, of rijk tegen arm, of autochtoon tegen allochtoon, maar met iets dat meer lijkt op wat onze noorderburen voor elkaar kregen: een sociaalliberale mix van redelijkheid, empathie en moderniteit, met een flinke scheut positief patriottisme.
Het vergt enige durf om weer te geloven dat de politiek meer kan zijn dan een klaagmuur met megafoon. D66 durfde in Nederland een discours te brengen dat het volk niet als cynische consumenten van politiek beschouwde die op hun wensen bediend moeten worden, maar als volwassen burgers die best een beetje complexiteit aankunnen. Dat is iets wat bij ons bijna revolutionair klinkt. In België lijkt elke nuance verdacht, alsof ze een teken is van zwakte of van gebrek aan ruggengraat. Wie zegt dat migratiebeleid én menselijk én ordelijk kan zijn, wordt meteen verdacht van gevaarlijke naïviteit of latent racisme. Wie gelooft dat economische groei én duurzaamheid elkaar niet hoeven uit te sluiten, krijgt het etiket van technocraat met te veel hoop.
Misschien zouden we iets kunnen opsteken van het Hollandse lef om het positieve niet te schuwen. Niet het zoetsappige “alles komt goed”-positief, weliswaar, maar het volwassen soort dat zegt: “Ja, de wereld is ingewikkeld, maar we kunnen er wél iets aan doen.”
Stel je even voor dat een Belgische partij morgen met dat soort boodschap naar de kiezer stapt. Dat ze zegt: “We zijn trots op wie we zijn, zonder ons af te zetten tegen anderen.” Dat ze pleit voor ondernemerschap én solidariteit, voor vrijheid én verantwoordelijkheid. Dat ze durft te zeggen dat de toekomst niet iets is wat ons overkomt, maar iets wat we maken. In de huidige sfeer klinkt dat bijna revolutionair — of op z’n minst radicaal hoopvol.
Dus ja, misschien is het tijd voor een nieuwe cocktail in de Belgische politiek. Geen bittere pint van populisme meer, geen zure wijn van cynisme, maar een frisse mix van sociaalliberalisme met een scheut positief patriottisme. Goed geschud, met een takje zelfrelativering erbij, en geserveerd met een glimlach die niet van wanhoop getuigt, maar van geloof in de toekomst en zin om elke uitdaging bij het nekvel te grijpen.
Het zou eens wat anders zijn dan de gebruikelijke kater na de verkiezingen.
