Op 29 oktober 2025 keken veel Europeanen met ingehouden adem naar Nederland. Zouden de Nederlanders, na jaren van politieke onrust en toenemende polarisering, opnieuw naar de flanken trekken? Of zou het redelijke midden zich herpakken?
De uitslag verraste velen.
D66 eindigde als grootste partij, nipt vóór de PVV van Geert Wilders, die een flink verlies moest incasseren. Ook de fusiepartij GroenLinks-PvdA deelde in de klappen en kopman Felix Timmermans hield het zelfs voor bekeken nog voor de volledige resultaten bekend waren. De klassieke VVD hield al bij al nog stand en het CDA herrees uit de assen, nadat het NSC volledig van de kaart geveegd werd.
De grote verrassing kwam dus van het sociaalliberale D66, dat na jaren van electorale erosie opnieuw aansluiting vond bij een breder publiek. Onder leiding van Rob Jetten positioneerde de partij zich niet langer als technocratische middenpartij, maar als drager van een optimistisch waardenverhaal: vooruitgang, redelijkheid, klimaatverantwoordelijkheid en een warme, open nationale identiteit.
In de analyses na de verkiezingen viel op hoezeer D66 de toon van de campagne veranderde. Waar rechts het debat beheerste met dreiging en wantrouwen, en links bleef steken in sociaal-economische defensieve retoriek, wist D66 een ander register aan te slaan.
Jetten’s “positief patriottisme” bleek niet zomaar een campagneleuze, maar een nieuw politiek kader — eentje dat progressieve waarden wist te koppelen aan emotionele verbondenheid. In een tijd waarin politiek vaak alleen nog over angst en identiteit lijkt te gaan, bood D66 een verhaal over vertrouwen en gemeenschap.
