De heisa rond het migratiebeleid van Anneleen Van Bossuyt toont vooral veel machteloosheid en frustratie. Ze is de zoveelste minister van Asiel en Migratie die de tanden stukbijt op deze portefeuille. De nadruk ligt nog altijd bijna uitsluitend op het beperken van instroom: strengere procedures, minder opvang, snellere terugkeer. Maar wie enkel probeert migratie tegen te houden, zonder minstens even sterk in te zetten op integratie, is in feite aan het dweilen met de kraan open.
Migratie is geen tijdelijk fenomeen dat met enkele administratieve maatregelen kan worden stopgezet. Ze wordt gedreven door oorlog, klimaatverandering, economische ongelijkheid en globalisering. Dat betekent niet dat je als beleidsmaker machteloos bent, maar je moet wel onder ogen zien dat het niet alleen gaat om het beheersen of tegenhouden van de instroom, maar ook om hoe we nieuwkomers zo snel mogelijk volwaardig laten deelnemen aan onze samenleving.
Van nieuwkomers mag zeker verwacht worden dat ze onze taal leren, onze wetten respecteren en actief deelnemen aan de samenleving. Maar de overheid moet tegelijk investeren in de voorwaarden die dat stimuleren. Vandaag gebeurt dat onvoldoende.
Wie maanden of zelfs jaren in onzekerheid leeft over zijn verblijfsstatuut, moeilijk toegang krijgt tot de arbeidsmarkt en niet voldoende ondersteund wordt bij het leren van de taal, kan onmogelijk snel integreren. Daardoor ontstaan parallelle circuits, frustratie en wederzijds wantrouwen en het is de samenleving die daar de gevolgen van draagt, zowel economisch als sociaal.
Onderzoek heeft nochtans al vaak aangetoond dat snelle toegang tot werk een van de beste manieren is om succesvol te integreren. Werk creëert niet alleen economische zelfstandigheid, maar ook sociale contacten, taalverwerving en wederzijds begrip. Toch botsen nieuwkomers vaak op administratieve drempels, diploma-erkenningsproblemen en een gebrek aan begeleiding.
Dat werkt uiteraard contraproductief. Zolang mensen niet kunnen of mogen werken, zijn ze afhankelijk van steun en dus wegen ze op onze sociale zekerheid. Wie niet legaal aan het werk kan, neemt zijn toevlucht tot zwartwerk, of erger nog: tot criminaliteit. En wie niet in die parallelle circuits terechtkomt, zal al helemaal niet integreren.
Ook onderwijs speelt een sleutelrol. Jong geleerd is immers oud gedaan. Kinderen van nieuwkomers die snel ondersteund worden bij taal en participatie, halen veel vaker de achterstand in. Investeren in onderwijs is dus verstandig beleid dat toekomstige sociale kosten vermindert.
Grenzen zijn en blijven nodig om een samenleving te laten functioneren en migratie moet beheersbaar blijven. Maar als niet ook de integratie efficiënt wordt aangepakt blijven de sociale wrijvingen bestaan.
