Onlangs vertelde een vrouw me over haar beslissing om niet naar een bijeenkomst die ik georganiseerd had te gaan, waar vooral oudere mensen aanwezig zouden zijn. Ze is lesbisch, maakt deel uit van een lesbisch koppel en kreeg pas recent – na jaren – de diagnose autisme. Haar reden was helder geformuleerd: ze verwachtte dat mensen uit die generatie mogelijk negatief zouden staan tegenover LGBTI. Ze wilde zichzelf die mogelijke confrontatie besparen.
Dit laat me niet los.
Niet omdat ik haar keuze niet begrijp. Integendeel. Ik begrijp ze misschien zelfs té goed. En toch wringt het. Deze reflex van vermijden botst met mijn overtuiging dat we mensen niet mogen herleiden tot groepen of labels. Niet op basis van geaardheid, niet op basis van neurologie, maar ook niet op basis van leeftijd.
Een late autismediagnose betekent vaak een leven lang aanpassen zonder te weten waarom het zo uitputtend is. Sociale situaties vragen energie, inschatting, voortdurende alertheid. Voeg daar de ervaring aan toe van lesbisch zijn in een samenleving die wel vooruitgang boekt, maar waarin afwijzing en ongemak nog steeds bestaan, en “veiligheid” wordt een dagelijkse afweging.
In dat licht is vermijden geen veroordeling. Het is een strategie. Geen aanval op ouderen, maar een poging om zichzelf te sparen.
En toch.
Toch schuurt het wanneer leeftijd (net als geaardheid of afkomst) een voorspellende factor wordt voor gedrag. Niet omdat ouderen geen problematische opvattingen kunnen hebben, maar omdat velen dat net níét hebben. Omdat ook binnen oudere generaties verandering, nuance en bondgenootschap bestaan. Door hen bij voorbaat te mijden, riskeren we precies datgene wat we zeggen te willen bestrijden: veralgemening.
Toen ik haar mijn tekst voorlegde, raakte haar reactie me. Ze benoemde hoe herkenbaar het was dat “veilig voelen” en hoe ervaringen en beelden die voortdurend via media worden herhaald de keuze om weg te blijven gemakkelijker maken. Niet omdat men niet wil ontmoeten, maar omdat men geleerd heeft waar de risico’s zitten.
Ze wees er ook op dat de beelden die over LGBTI en mensen met autisme circuleren hierin een grote rol spelen. Deze zijn soms uitvergroot, waardoor veel mensen zichzelf daar niet in herkennen, maar er wél op worden aangesproken. Dat beïnvloedt hoe de samenleving kijkt, maar ook hoe minderheden zichzelf positioneren. Vermijden wordt dan niet alleen bescherming, maar bijna vanzelfsprekend.
Tegelijk zei ze iets opmerkelijks: dat deze tekst haar ook aan het denken zette. Dat ze voelde hoe voorzichtigheid soms kan doorschuiven naar een aanname dat er misschien geen plaats is voor iemand zoals zij in de samenleving. En dát is een gedachte waar zij en velen met haar zelf ook tegen moeten blijven ingaan. Niet door zichzelf te forceren, maar door ruimte te laten voor gesprek, ervaring en ontmoeting, wanneer en hoe dat mogelijk is.
Het is zo dat samenleven per definitie ongemakkelijk is. Dat ontmoeting risico’s inhoudt. Dat vrijheid niet alleen betekent dat we ons mogen terugtrekken, maar ook dat we elkaar blijven opzoeken, juist over verschillen heen. Wanneer bescherming doorslaat in afzondering, verarmen we allemaal.
Maar ook die gedachte verdient nuance.
Het is gemakkelijk om ontmoeting te verheerlijken vanuit een comfortabele positie. Minderheden wordt vaak impliciet gevraagd om “moedig” te zijn, om uit te leggen, te verdragen, te onderwijzen. Autistische mensen wordt daarbovenop gevraagd om zich sociaal te overstrekken in een wereld die zelden op hen is afgestemd. Hun energie is geen morele plicht.
Hier ligt de ongemakkelijke waarheid: beide perspectieven zijn tegelijk waar. Haar keuze is legitiem. Mijn ongemak ook.
Wat me misschien het meest verontrust, is niet haar beslissing, maar wat ze blootlegt. Dat veiligheid nog te vaak een individuele verantwoordelijkheid is. Dat we van mensen verwachten dat ze zelf inschatten waar het veilig is, en zich dan maar aanpassen. Dat inclusie nog te afhankelijk is van persoonlijke veerkracht, in plaats van collectieve zorg.
Misschien ligt de echte vraag dus niet bij haar, maar bij ons. Waarom voelt een bijeenkomst met ouderen voor een lesbische, autistische vrouw niet vanzelfsprekend veilig? Wat zegt dat over hoe we generaties, verschillen en gesprekken organiseren? En wie draagt daar verantwoordelijkheid voor?
Dit opiniestuk is geen pleidooi om keuzes te veroordelen, noch om ontmoetingen te forceren. Het is een pleidooi om de spanning te blijven benoemen. Om niet te doen alsof bescherming en openheid perfect verzoenbaar zijn. En om het ongemak dat daaruit voortkomt ernstig te nemen.
Want misschien is een samenleving pas echt volwassen wanneer ze ruimte laat voor twijfel. Wanneer we mogen zeggen: ik begrijp je, en toch worstel ik. Zonder dat iemand meteen ongelijk krijgt.
(met dank aan A.V. voor haar getuigenis)
