De Koerden vormen een van de grootste volkeren ter wereld zonder eigen staat. Dat is geen vrijblijvend historisch weetje, maar een harde dagelijkse realiteit van ontzegde rechten, verbrijzelde verwachtingen en telkens opnieuw gebroken beloften. De recente gebeurtenissen in Syrië maken dat pijnlijk zichtbaar. Terwijl grootmachten schuiven met grenzen, invloedsferen en allianties, blijven de Koerden opnieuw achter als pionnen die hun nut hebben verloren.
Het wrange is dat diezelfde Koerden ook de ruggengraat vormden van de strijd tegen Islamitische Staat. Ze vochten, stierven en hielden stand terwijl de rest van de wereld toekeek – en in het beste geval applaudisseerde. Maar zodra geopolitieke belangen verschoven, werd hun lot opnieuw onderhandelbaar. Turkse militaire operaties, het terugtrekken van westerse steun en de hernieuwde invloed van het Syrische regime zetten de Koerdische autonomie in Syrië zwaar onder druk. Wat overblijft, is het cynische gevoel dat grote principes altijd lege dozen blijken te zijn.
Die verontwaardiging is terecht. Want zelfbeschikking is geen luxeartikel dat enkel geldt voor erkende staten of strategisch nuttige bevolkingen. Het is een fundamenteel recht van mensen om zeggenschap te hebben over hun leven, hun taal, hun cultuur en hun bestuur. De Koerden vragen geen imperialistisch rijk, geen homogene natiestaat die anderen uitsluit. Wat ze vragen, is ruimte: om zichzelf te organiseren binnen de grenzen van bestaande staten, om gehoord te worden in plaats van onderdrukt, om niet telkens opnieuw te moeten kiezen tussen assimilatie of geweld.
Wie de afgelopen jaren naar Noord- en Oost-Syrië keek, zag nochtans iets uitzonderlijks ontstaan in een regio die doorgaans wordt geassocieerd met autoritarisme en sektarisch geweld. In de chaos van de Syrische burgeroorlog bouwden Koerdische gemeenschappen, samen met Arabieren, Assyriërs en andere minderheden, aan een vorm van zelfbestuur die gebaseerd was op lokale inspraak, emancipatie van vrouwen en religieuze tolerantie. Geen utopie, geen perfect model, maar wel een moedige poging om macht te spreiden in plaats van te centraliseren, om samenleven mogelijk te maken waar anderen vooral verdeeldheid zaaiden.
Juist daarom is hun strijd ook relevant buiten het Midden-Oosten. In een wereld waarin macht steeds vaker wordt teruggetrokken naar nationale hoofdsteden en diversiteit wordt afgeschilderd als bedreiging, tonen de Koerden een ander verhaal. Een verhaal waarin regio’s geen probleem zijn dat moet worden gladgestreken, maar levende gemeenschappen met eigen noden en oplossingen. Waar solidariteit niet stopt bij etnische of religieuze lijnen, en waar democratie niet alleen iets is wat eens in de vier jaar wordt uitgeoefend, maar dagelijks vorm krijgt op lokaal niveau.
Het falen van de internationale gemeenschap om dit project te beschermen, zegt veel over onze selectieve verontwaardiging. We spreken graag over mensenrechten, maar deinzen terug zodra ze politieke moed vereisen. We verdedigen autonomie zolang ze maar netjes in onze eigen agenda past. En zo normaliseren we het idee dat sommige volkeren nu eenmaal gedoemd zijn om tussen de plooien van de geschiedenis te verdwijnen.
Maar de Koerden verdwijnen niet. Daarvoor is hun veerkracht te groot, hun collectief geheugen te scherp. Elke generatie draagt het verhaal verder van taal die verboden werd, van dorpen die werden platgebrand, van beloften die nooit werden nagekomen. Dat is geen romantiek, dat is een aanklacht. Tegen regimes die uniformiteit afdwingen. Tegen grootmachten die stabiliteit verwarren met stilte. En tegen een wereldorde die liever beheersbaar is dan rechtvaardig.
De recente ontwikkelingen in Syrië mogen dan een nederlaag lijken, ze mogen niet het laatste woord zijn. Als we werkelijk geloven in vrijheid, gelijkwaardigheid en democratie, dan moeten die ook gelden voor volkeren zonder vlag of zetel in de VN. De Koerden verdienen meer dan medelijden of tijdelijke steun in tijden van crisis. Ze verdienen erkenning, bescherming en vooral: de ruimte om hun eigen toekomst vorm te geven. Alles minder is niet realistisch, maar gemakzuchtig. En dat kunnen we ons moreel niet langer permitteren.
Dat dit ons als sociaalliberale regionalisten zo diep raakt, is geen toeval. Wie gelooft in een samenleving waarin vrijheid pas echt betekenis krijgt wanneer ze wordt gedeeld, kan niet onverschillig blijven tegenover een volk dat structureel wordt uitgesloten van zeggenschap. De Koerdische strijd raakt aan de kern van wat wij rechtvaardig vinden: dat macht niet vanzelfsprekend van bovenaf komt, dat diversiteit geen afwijking is maar een rijkdom, en dat regio’s geen last zijn voor staten, maar hun morele toetssteen. In de Koerdische zoektocht naar zelfbestuur herkennen we de overtuiging dat mensen het best tot hun recht komen wanneer beslissingen zo dicht mogelijk bij hen worden genomen, met respect voor lokale identiteit én universele rechten. Hun lot herinnert ons eraan dat vrijheid ondeelbaar is: wie zwijgt wanneer anderen hun vrijheid wordt ontzegd, verliest ze uiteindelijk ook zelf.
