Doordat politici de neiging hebben om de luidste roepers achterna te hollen, blijft de zwijgende meerderheid verweesd achter. Zo worden al te vaak politieke beslissingen genomen die niet het algemene belang maar dat van een minderheid dienen. Deze asymmetrie binnen de democratie ligt mee aan de basis van de zogenaamde kloof tussen burger en politiek en aan het succes van de extremen. Om dat tegen te gaan, hebben we politici met een ruggengraat nodig.
Blijkbaar slagen onze politici er hoe langer hoe minder in nog tot een deftige, doordachte besluitvorming te komen. De belachelijke soap rond de opmaak van een ‘non-klimaatplan’ en het meer dan 25 jaar aanslepen van het debat rond de kernuitstap zijn slechts enkele voorbeelden van een (helaas…) veel te lange lijst. Dan rijst de vraag: waarom is het zo moeilijk om (goed) te beslissen?
In een democratie zijn het uiteraard de verkozen politici die geacht worden te beslissen en zoals het verkozenen past, worden zij geacht te luisteren naar de wensen, verlangens en/of opinies van hun kiezers. Daarbij zijn er twee houdingen mogelijk: ofwel loopt men passief achter zijn kiezers aan en probeert men de weg van de minste weerstand te volgen (iedereen een pleziertje doen, iedereen een gunstje bezorgen…), ofwel toont men leiderschap en probeert men pro-actief zijn kiezers te “vormen” en/of te sturen in een richting die (liefst op basis van wetenschappelijk inzicht en/of controleerbare feiten) zo dicht mogelijk bij het begrip “algemeen belang” aansluit. Maar zelfs bij die eerste benadering kan het toch nog (grondig) fout lopen.
Laat ons een fictief voorbeeld nemen: stel dat een overheid (weze het lokaal, provinciaal, regionaal of federaal – maakt niet uit) zou beslissen in uw wijk een broodnodige viaduct te bouwen om de heersende verkeerschaos in uw streek op te lossen. Dan moet je geen helderziende zijn om te weten dat er binnen de kortste keren door alle buurtbewoners een actiecomité zal worden opgezet om zich met hand en tand te verzetten tegen dit project (hoewel het vanuit het standpunt “algemeen belang” een zeer waardevol en goed bestudeerd project is). Dit actiecomité zal blijven lawaai en kabaal maken zolang ‘de politiek’ niets beslist heeft. Als de politici dan géén staatsmanschap tonen, laten ze zich “inpakken” door dat actiecomité (omdat er zogezegd géén draagvlak is voor dat project….).
Wat ze vergeten, is dat al die andere burgers die wel gebaat zijn bij de realisatie van dit project meestal géén actiecomité opzetten om te pleiten voor dat project (vooreerst omdat ze elkaar gewoon niet kennen, maar ook omdat hun belangen meer diffuus zijn en meer verspreid liggen over heel de bevolking). Dat is wat ik noem de asymmetrie van de democratie: de tegenstanders (van om het even welk project) zijn meestal meer gemotiveerd, beter georganiseerd en assertiever om hun zaak te bepleiten (ook al omdat ze meestal met een kleinere groep zijn, van direct betrokkenen en dus mensen die kort bij elkaar wonen) terwijl de voorstanders van zo’n project, precies omdat ze numeriek met zoveel zijn en dus niet georganiseerd optreden, zich niet laten horen (= de zwijgende meerderheid…) en dus denken de politici dat ze ook niet bestaan.
En zo worden dus heel veel beslissingen genomen die lijnrecht ingaan tegen het algemeen belang, precies omdat die belangengroepen of lobbyisten zeer efficiënt – maar in feite totaal ondemocratisch – hun werk doen. Zelfs als er 30 à 40.000 betogers naar Brussel trekken, is dat nog altijd een uiterst klein deel van de bevolking, maar…. ze zijn zichtbaar en maken veel kabaal en dus lopen politici (zeker die zonder ruggengraat) deze roepers achterna. Uiterst zeldzaam zijn de politici die open, moedig en eerlijk (met cijfers en/of feiten in de hand) durven ingaan tegen deze “vox populi”. Politici die durven het ruimere plaatje te schetsen en het protectionistische discours van lobbyisten durven te weerleggen.
Als men spreekt over “de kloof tussen de burger en de politiek” dan ligt daar zeker een van de oorzaken: de “zwijgende meerderheid” heeft het gevoel dat zij niet meer meetellen en dus zoeken ze hun heil in extremistische partijen. Juist zoals een kind, moet je ook kiezers durven “opvoeden” worden. En elke pedagoog weet: softe ouders, die altijd maar toegeven en kiezen voor de weg van de minste weerstand, maken nog softere kinderen. Of iedereen daar op langere termijn beter van wordt, is maar de vraag…
