In een opiniestuk (22 augustus 2025) breekt Walter Zinzen een lans voor een hervorming van het Brussels Gewest bij een volgende staatshervorming. Gezien de desastreuze budgettaire situatie en de politieke blokkering, valt daar zeker iets voor te zeggen. De Heer Zinzen vergist zich echter wanneer hij stelt dat slechts 5% van de bevolking Nederlandstalig is en dat zij recht heeft op 50% van de ministerposten.
Er bestaan geen officiële cijfers over het aantal Nederlandstaligen in Brussel omdat er niet zoiets als een “subnationaliteit” bestaat. Toch zijn er een aantal maatstaven die ons toelaten een goede schatting te maken. De favoriete maatstaf die door Franstaligen wordt gehanteerd is het aantal fiscale aangiften in Brussel, waarvan slechts 8,3% in het Nederlands wordt gedaan. Echter, heel veel gezinnen in Brussel zijn tweetalig, waarbij dan vaak voor het Frans gekozen wordt als administratieve taal. Het werkelijke aantal Nederlandstaligen ligt dus zeker hoger.
Een andere maatstaf die men kan nemen is het percentage Nederlandstalige stemmen, omdat op die manier de niet-Belgen niet in rekening worden genomen. Bij de laatste regionale verkiezingen waren dat er 17,1%, bij de Europese verkiezingen 13,9%. Hier is het zeker bij de regionale verkiezingen wel zo dat ook veel Franstaligen voor een Nederlandstalige lijst stemmen, zoals bleek uit een onderzoek van de ULB. Alleen bleek uit datzelfde onderzoek ook dat 16% van de deelnemers er zélf voor koos om de vragenlijst in het Nederlands in te vullen. Aangezien ongeveer één op de drie Brusselaars geen Belg is, komen we zo uit op ongeveer 10% van de hele bevolking, dubbel zoveel als Zinzen beweert. Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen zijn ongeveer 10% van de verkozenen Nederlandstalig.
Uit de laatste taalbarometer blijkt dan weer dat 22,3% van de Brusselaars beweert goed tot uitstekend Nederlands te spreken, een opmerkelijke stijging in vergelijking met de vorige barometer. Ook het Nederlandstalig onderwijs wint gestaag aan marktaandeel en in het kleuteronderwijs gaat intussen zelfs 26,6% van de Brusselse ketjes naar een Nederlandstalige school. Het is ons niet duidelijk waarom Zinzen de Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel zo tekortdoet. Het lijkt wel een vorm van Vlaamse zelfkastijding.
Wat de ministerposten betreft is het zo dat er van de acht uitvoerende mandaten (vijf ministers en drie staatssecretarissen) in totaal drie worden toegewezen aan Nederlandstaligen. Geen 50% dus, wel 37,5%. De minister-president is in de praktijk altijd Franstalig. Een Nederlandstalige Brusselaar moet er zelfs niet van dromen ooit die post te bezetten, anders dan de federale premier waar met Di Rupo, Michel en Wilmes recent zelfs 3 Franstaligen die post mochten bekleden.
Wie pleit voor een hervorming van het Brussels Gewest, maar op zo’n groteske manier de Nederlandstalige Brusselaars denigreert en het belang van Brussel voor Vlaanderen volkomen negeert, leeft eigenlijk zelf in het verleden. Het is het verouderde riedeltje van het voormalige FDF. De opvolger ervan, Défi, is intussen op sterven na dood en zou de volgende keer wel eens helemaal uit het Brusselse parlement kunnen verdwijnen. Blijkbaar zijn zelfs rabiate franskiljons niet meer te overtuigen van de oude droom van een Brussel zonder Vlamingen. Hopelijk stelt ook Walter Zinzen zijn visie binnenkort bij.
