De federale regering wil tegen 2029 het federale begrotingstekort terugbrengen tot 3% van het bruto binnenlands product. Daar is volgens minister van Begroting Vincent Van Peteghem 16,6 miljard euro voor nodig. En om aan dat bedrag te komen wordt een inspanning gevraagd aan iedereen. Of toch bijna…
De belangrijkste maatregelen die de federale regering wil nemen zijn het ‘dichten van fiscale lekken’ en het ‘rationaliseren van de overheidsdiensten’. Wat dat concreet inhoudt is nog niet bekend, maar duidelijk is dat zogenaamde ‘managementvennootschappen’ en grote bedrijven in het vizier genomen worden. Wat opvalt, maar niet verbaast, is dat de eerste veel concreter aangepakt worden dan de tweede. Managementvennootschappen bestaan juridisch niet, het is een term die in zwang geraakt is om besloten vennootschappen aan te duiden waarin individuele zelfstandigen, vrije beroepen en consultants aan hun klanten factureren en zichzelf een loon uitbetalen. Oorspronkelijk was het een manier om managementfuncties betaalbaar en interessant te houden, vandaar de naam, maar gaandeweg zijn ook meer bedienden naar het systeem overgestapt. Precies omdat de belastingdruk op arbeid in België zo groot is.
De overheid geeft, de overheid neemt
Tussen 2019 en 2024 is het aantal managementvennootschappen zo goed als verdubbeld, van zo’n 41.500 naar meer dan 80.000. Door zichzelf een laag loon uit te betalen en verder via dividenden tegen gunstig fiscaal tarief, kunnen de belastinguitgaven kleiner gehouden worden. Voor de ‘klant’ of opdrachtgever is het ook voordelig want de sociale bijdragen en dergelijke worden door de managementvennootschap zelf gedragen.
In dat opzicht kan je zeggen dat minister Van Peteghem gelijk heeft dat het een vorm van belastingontwijking is, alleen is het jammer dat sinds de jaren 1990 de overheid zelf via beleidskeuzes en gunstige fiscale regelingen het systeem in feite gestimuleerd heeft. Het is pas sinds een paar jaar, niet toevallig omdat het begrotingstekort oploopt, dat de regering de ‘nadelen’ en het ‘misbruik’ ontdekt.
Nu worden de regels dus verstrengd. Voor de grote verdieners, de echte ‘managers’, zal dit geen al te grote gevolgen hebben, maar voor de bediende en jonge starter die het systeem aangeraden en aangepraat kreeg, is het wellicht een lelijke streep door de rekening, want het is uiteraard niet evident om weer terug te gaan naar het gewone werknemersstatuut, met de enorme belastingdruk voor zowel werknemer als werkgever.
Multinationals
Minder streng wordt het wanneer we de maatregelen bekijken die genomen worden om het verlies van belastinginkomsten van grote bedrijven en multinationals aan te pakken. Daarvoor worden extra middelen vrijgemaakt voor de BBI zodat die complexe internationale belastingsconstructies kan opsporen. Inderdaad: er wordt dus geld uitgegeven in de hoop geld te vinden. Onnodig te zeggen dat specialisten in fiscale spitstechnologie zich al in de handen wrijven. Verder voert de regering gewoon Europese regelgeving uit die een minimumtarief van 15% oplegt aan grote multinationals. Nog steeds een peulenschil, zeker als je weet dat volgens de meest conservatieve schattingen België 5 à 10 miljard misloopt door ‘fiscale optimalisatie’ bij multinationals. Een heel pak meer dan de ‘verschillende miljoenen’ die de staatskas volgens Van Petegehem zelf zou mislopen via de managementvennootschappen.
Nog penibeler wordt het wanneer we kijken naar de maatregelen die de regering zich voorneemt om de uitgaven aan te pakken. De kosten voor ministeriële kabinetten worden met 30% verlaagd en er worden geen nieuwe aanwervingen gedaan. Verder worden overheidsdiensten ‘gestimuleerd’ om te digitaliseren en efficiënter te werken en worden investeringen meer gericht op projecten met een hogere economische of maatschappelijke meerwaarde. Je zou denken dat dit de normale gang van zaken is, maar het zijn dus nieuwe maatregelen. Subsidies en fiscale gunstregelingen worden doorgelicht, wat dat ook concreet moge betekenen, en er is natuurlijk de jacht op de langdurig zieken, waar groots mee uitgepakt wordt.
Eigen vlees
Helemaal stil blijft het echter wanneer het over de eigen gunstige regelingen gaat, zoals de parlementaire en ministeriële lonen en aanvullende vergoedingen. Vandaag verdient een federaal parlementslid gemiddeld rond de € 8.400 bruto per maand, aangevuld met een belastingvrije onkostenvergoeding van ruim € 2.500. Ministers doen het nog een pak beter, met meer dan € 20.000 bruto per maand en daarbovenop een belastingvrije woon- en huishoudtoelage van ruim € 1.100 netto – een voordeel dat zonder enige controle wordt toegekend.
Toegegeven, de Arizona-partijen lieten eerder dit jaar weten dat ze de pensioenen van parlementsleden zouden afstemmen op dat van ambtenaren en de uittredingsvergoedingen zouden terugbrengen van twee jaar tot maximaal 1 jaar. Niet slecht, toch loopt de factuur voor niet herverkozen leden voor de Kamer alleen al in de vele miljoenen.
En dan zwijgen we nog over de financiering van de politieke partijen zelf. Volgens de meest recente cijfers ontvingen ze samen meer dan € 80 miljoen aan overheidsfinanciering, zonder de extra vergoedingen voor parlementaire fracties en regionale parlementen, en wordt hun gezamenlijk vermogen geschat op ruim € 122 miljoen. België behoort daarmee tot de landen waar partijen het meest publiek geld ontvangen – vaak zonder dat daar duidelijke efficiëntie- of transparantievoorwaarden tegenover staan. Verder dan het niet indexeren van die bedragen is het voorlopig niet gekomen.
Niet dat door in te grijpen op die lonen en dotaties het gat in de begroting gedicht wordt, maar als van iedereen een serieuze inspanning verwacht wordt, dan ook van de overheid en de politici zelf.
Helaas kunnen we stellen dat de regering om haar begrotingsmandje te vullen alweer naar laaghangend fruit grijpt, enkel voorzichtig aan de hogere takken schudt en vooral de eigen boomgaard ongemoeid raakt.
