De recente stemming over de mogelijke afschaffing van de Senaat legde nog maar eens het oude probleem bloot: België blijft vasthouden aan instellingen die al lang hun echte nut verloren hebben. Dat MR van dit dossier meteen een politieke koehandel maakte, toont hoe moeilijk het is om onze staatsstructuur op een nuchtere manier te hervormen. In plaats van te kijken naar wat werkt en wat niet, verzandt het debat vaak in ruilhandel tussen partijen.
Voorstanders van de Senaat blijven ook vastzitten in het verleden en grijpen graag terug naar het romantische beeld van de Senaat als ‘neutrale’ ontmoetingsplaats voor de verschillende deelstaten. In werkelijkheid heeft de Senaat de voorbije jaren bijna al zijn bevoegdheden verloren, staan er nauwelijks nog belangrijke dossiers op de agenda en is de opkomst van senatoren minimaal. De vraag is dan ook terecht waarom we een instelling in stand houden die in de praktijk weinig bijdraagt aan beter beleid, terwijl ons land zo al een bijzonder ingewikkeld politiek systeem heeft.
In werkelijkheid draait België vooral rond de samenwerking tussen Vlaanderen en Wallonië. Dat zijn de twee deelstaten die echt het verschil maken, zowel qua bevolking als economie en politieke impact. Als Vlaanderen en Wallonië erin slagen om op een volwassen manier samen te werken en elkaars positie te respecteren, dan kan België blijven functioneren. Als die samenwerking vastloopt, zal geen enkele extra instelling dat fundamentele probleem oplossen – ook de Senaat niet.
Brussel heeft uiteraard een speciale plaats als hoofdstad van België en van Europa. Maar tegelijk is de politieke structuur er erg complex geworden, met een hele resem bestuursniveaus, administraties en mandaten. Het resultaat van een aanschakeling van compromissen uit het verleden. Minder ingewikkelde structuren zouden het bestuur duidelijker, slagkrachtiger en vooral ook goedkoper kunnen maken.
De Franse Gemeenschap is nog zo’n relict uit het verleden. Overlappende bevoegdheden met Wallonië en de COCOF, maken het geheel ingewikkeld zonder dat daar altijd betere resultaten tegenover staan. De Duitstalige Gemeenschap heeft op haar beurt een relatief kleine bevolking, maar beschikt wel over een uitgebreide institutionele structuur. Ook daar kan de vraag gesteld worden of de huidige organisatie nog in verhouding is.
Het debat over de Senaat zou daarom eigenlijk een breder debat moeten zijn over hoe België eenvoudiger en duidelijker bestuurd kan worden. Minder structuren betekent niet minder democratie. Integendeel: als bevoegdheden helder verdeeld zijn, weten burgers beter wie ze moeten aanspreken en kunnen politici ook duidelijker verantwoordelijkheid opnemen.
De echte vraag is dus eenvoudig: hebben we nog nood aan instellingen die vooral symbolisch zijn, maar weinig concreet bijdragen aan beter bestuur? In tijden waarin mensen verwachten dat politiek efficiënt en transparant werkt, lijkt het antwoord steeds vaker ‘nee’. De afschaffing van de Senaat is daarom een kans om ons systeem eenvoudiger en duidelijker te maken.
