Al ruim zeshonderd dagen zoeken de Brusselse partijen naar een manier om uit de impasse te geraken. Verschillende scenario’s circuleren, maar geen enkel lijkt voorlopig realistisch.
De meest voor de hand liggende optie blijft een klassieke zespartijenregering met MR, PS, Les Engagés, Vooruit, Groen en Open VLD. Samen zouden ze een meerderheid vormen in beide taalgroepen. Toch liggen de ideologische verschillen zo groot dat zelfs het opstellen van een gemeenschappelijke intentieverklaring vastloopt. Vooral de verhouding tussen MR en PS blijft giftig: de liberalen willen hervormen en besparen, de socialisten willen investeren en beschermen.
Een tweede piste is die van een minderheidsregering. Zo’n bestuur zou per dossier steun zoeken bij de oppositie, afhankelijk van het thema. In theorie kan dat de besluitvorming versnellen, maar het vereist discipline en vertrouwen — twee zaken die momenteel ontbreken.
Sommigen fluisteren intussen over nieuwe verkiezingen. Politiek gezien zou dat een gok zijn: de meeste partijen vrezen verdere afstraffing door een boze kiezer. Toch groeit de druk. Hoe langer de impasse duurt, hoe meer stemmen opgaan om de kaarten opnieuw te schudden.
Ten slotte klinkt er ook een structurele roep om institutionele hervorming. Steeds meer stemmen pleiten voor een vereenvoudiging van het Brusselse bestuur: minder instellingen, minder versnippering, één duidelijke hiërarchie. Sommigen zien in een gedeeltelijke fusie met de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) een mogelijke redding.
Welke richting het ook uitgaat, één conclusie is onvermijdelijk: Brussel heeft nood aan bestuur. Niet enkel aan een coalitie die het rekenkundig haalt, maar aan een politieke cultuur die opnieuw durft beslissen. Want zonder dat vertrouwen, hoe tijdelijk ook, blijft de hoofdstad een hoofdstad zonder regering — en zonder richting.
